Genetische aandoeningen

Genetische diversiteit:
Dit zegt iets over de mate van inteelt. Een hoge genetische diversiteit 
verhoogt de kans op een vitaal leven.

De wet schrijft voor dat je moet voorkomen dat ouderhonden ernstige, erfelijke afwijkingen en ziekten doorgeven aan de pups. Om dit te voorkomen moet je inzicht hebben in de gezondheid van je hond en de basis van genetica begrijpen.

Elke hond draagt afwijkende genen bij zich. Geen zorgen, ook elk mens draagt afwijkende genen. Daarvan hoef je niet ziek te worden. Voor de meeste afwijkingen geldt dat je pas ziek wordt als je van beide ouders hetzelfde afwijkende gen erft. Je bent dan lijder en je bent ziek.
Het is dus belangrijk om het DNA te testen op afwijkingen zodat je kunt voorkomen dat een pup een lijder wordt en ziek wordt.

Dominante afwijking:

Bij dominante vererving is het genoeg als één van de twee ouders een afwijkend gen heeft. Deze ouderhond is ziek en zal de ziekte doorgeven aan zijn nakomelingen. Vaak is het zo, dat als een dominant gen 2 maal voorkomt, de pup al voor de geboorte sterft of in elk geval niet oud wordt. Een dominante afwijking is vaak makkelijk te herkennen aangezien de hond lijder is en dus ziek is.

Recessieve afwijking:

Bij dit soort aandoeningen moet een hond 2 genen hebben die de ziekte veroorzaken om ook echt ziek te worden. Als slechts een ziekmakend gen aanwezig is blijft de hond gezond.

Er zijn bij recessieve aandoeningen 3 mogelijkheden:

Dragers: daarmee worden die dieren bedoeld die, zonder zelf ziek te zijn, één ziekmakend gen bezitten en het voor een deel kunnen doorgeven aan het nageslacht.

Lijders: de dieren die ziek zijn, ze hebben 2 zieke genen en ze zullen het zieke gen dus zeker doorgeven aan het nageslacht.

Vrije dieren: zij bezitten het ziekmakende gen niet en geven het dus ook niet door.

Combinaties die de kans op lijders geven (rood) worden dus niet toegestaan!